In De taal van de universiteit


Tegen academische vrijheid


De taal van academische vrijheid doet de wetenschap en de democratie tekort.

De wetenschap is talig tot op het bot. Gepraat over academische vrijheid verhult dat wetenschap haar waarheid niet ontdekt, maar produceert. Dit is een smet op de democratie, als het publiek de wetenschap niet kan begrijpen. Verruil academische vrijheid daarom voor democratische wetenschap.

beeld Roland van Dierendonck


Deel of lees later...

Like dit op Facebook

  • Instapaper

Het begrip ‘academische vrijheid’ hoort tot de standaardtaal van de wetenschap. Er valt ook gemakkelijk bijval mee te krijgen. Geen zinnig mens kan immers tegen vrijheid zijn. ‘Vrijheid’ is zo’n woord als ‘excellentie’ of ‘participatie’, woorden die bruggen bouwen omdat ze positieve gevoelens opwekken. Daarbij vergeten we dat ze geen betekenis van zichzelf kunnen hebben. Woorden (zei Wittgenstein) ontlenen hun betekenis aan hun gebruik.

Politieke partijen hanteren het woord vrijheid ook graag. In Nederland hebben we de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) en de Partij voor de Vrijheid (PVV). Maar de ‘vrijheid’ van de een is die van de ander niet. De VVD doelt vooral op het recht om je economische belangen te behartigen, zonder veel rekening te houden met anderen. En de PVV heeft als logo een vrij vliegende vogel, met in de praktijk een vrijheidsconcept dat grote groepen mensen vogelvrij verklaart. We zijn haast allemaal ‘liberaal’ in de betekenis van voorstanders van de vrijheid van meningsuiting, maar die is eveneens voor meerderlei uitleg vatbaar. Het begrip stamt uit John Stuart Mills On Liberty van 1859, waarin vrijheid van meningsuiting ondergeschikt is aan het ruimere doel van onderling respect. Dit terwijl de term tegenwoordig staat voor het recht tot ventileren van elke ondoordachte of zelfs beledigende mening, zodat naast ‘vrijheid’ ook ‘mening’ een andere betekenis kreeg.

Academische vrijheid beschouwt haast iedereen als vanzelfsprekend, zeker in de academie. Deze term staat voor het uitgangspunt dat wetenschapsbeoefenaren in onderling overleg moeten mogen bepalen wat ze onderzoeken en hoe ze dat doen. En vervolgens moeten ze vrij zijn om hun bevindingen aan derden bekend te maken. Academische vrijheid in deze betekenis wordt verdedigd met de geschiedenis van Galileo Galilei, die begin 17de eeuw in de problemen kwam met zijn stelling dat de aarde om de zon draait. Hij kreeg het daarover met de kerk aan de stok omdat de bijbel een geocentrisch in plaats van een heliocentrisch beeld presenteert. Galilei’s verhaal behoort tot de canonieke verhalen van de wetenschap — of anders wel dat van Charles Darwin, wiens evolutietheorie het nog altijd moet opnemen tegen creationisten. Wetenschapsbeoefenaren geven ermee aan dat wetenschappelijke kennis een hoger goed vertegenwoordigt dan kerkelijke en wereldse belangen.

Dat hogere goed zit hem in het waarheidsgehalte. Expliciet of impliciet, de taal van de academische vrijheid is nauw verbonden met die van de wetenschappelijke waarheid. Deze moet niet alleen prevaleren boven religieuze overtuigingen, maar ook boven ‘politieke correctheid’, is het achterliggende idee. Dat laatste betogen bijvoorbeeld psychologen als Philippe Rushton en Arthur Jensen die gemiddeld kleinere hersenen bij vrouwen signaleren of verminderde intelligentie bij bepaalde rassen, omdat hun metingen tot die conclusie kwamen. Dit of dat is nu eenmaal ‘uit onderzoek gebleken’, is de redenering van meer wetenschapsbeoefenaren, of dat in uw kraam te pas komen of niet. Het is dus wetenschap die geldig is versus feminisme of anti-racisme, die ‘ideologisch’ zijn. Terwijl politiek en religie met overtuigingen of argumenten komen, zou de wetenschap zekerheden produceren, zodat ze volledig vrij hoort te zijn.

Maar klopt die tegenstelling wel? Vanaf de vroege twintigste eeuw laten wetenschapsfilosofen, denkers óver wetenschap dus, overtuigend zien dat de suggestie van argumentatieloze wetenschappelijke kennis niet houdbaar is. Wie namens De Werkelijkheid pretendeert te spreken is daarom niet minder autoritair dan wie claimt dat namens God te doen. 

Het verdriet van de wetenschap

De meest beroemde vroegtwintigste-eeuwse wetenschapsfilosoof is Karl Popper. Deze is vooral bekend vanwege zijn aansporing aan onderzoekers om uit te zijn op weerlegging van hun theorieën, in plaats van bevestiging. De betere theorie, betoogde Popper, is die welke de strengste weerleggingspogingen heeft doorstaan. Dat is een boodschap die inderdaad meer ter harte genomen zou moeten worden, maar dan zonder de conclusie eraan verbonden dat de betere theorie dus een reflectie van de werkelijkheid is. Minder bekend is Poppers toevoeging dat er geen neutrale (weerleggende of niet-weerleggende) feiten kunnen bestaan. Onderzoeksuitkomsten, betoogde hij, blijven theoretisch gekleurd en zijn daarmee redeneringen.

Wie namens De Werkelijkheid pretendeert te spreken is daarom niet minder autoritair dan wie claimt dat namens God te doen.

Om bij de eerdere voorbeelden te blijven: wie onderzoek doet naar de omvang van de hersenen van vrouwen versus mannen gaat er allereerst vanuit dat groter beter is. Dit terwijl er toch ook iets te zeggen valt voor een brein dat ‘klein maar fijn’ kan zijn. Bovendien gebruikt zo’n onderzoeker specifieke meetmethoden voor het bepalen van de hersengrootte. Leggen we een meetlint om de schedel of varen we op de resultaten van een hersenscan? Indien dat laatste, wat voor type scan moet het dan zijn en wat zijn de beste methoden om het hersenvolume te berekenen? Even zoeken met ‘measuring brain volume’ in de elektronische universiteitsbibliotheek leert dat de uiteenlopende methoden uiteenlopende uitkomsten opleveren en dat er, althans in vaktijdschriften, druk over wordt gediscussieerd.

Sterker nog: het kan slechts om gemiddelde verschillen gaan en verder hebben we bij onderzoek naar gemiddelde mannenhersenen versus gemiddelde vrouwenhersenen definities nodig van een man versus een vrouw. Gaan we bij de selectie van proefpersonen af op het lichaam in geklede toestand, of op het naakte lichaam aan de buitenkant bezien? Moeten we niet dieper gaan en onder de huid kijken naar de organen, of nog verder inzoomen en het DNA bestuderen? Er valt wat te zeggen vóór en tégen elk van die criteria. Mensen verschillen bovendien gradueel en dat niet alleen in hun mannelijke en vrouwelijke uiterlijk of gedrag. Sommigen hebben borsten plus een penis of testes plus een baarmoeder en recentelijk is geconcludeerd dat een mens meer dan één genoom kan bezitten, met daarin zowel een percentage XX als XY chromosomen.

Onderzoeksresultaten variëren dus met de antwoorden op allerlei voorafgaande vragen. Niet de natuur zelf is doorslaggevend, maar menselijke argumenten. De taal van de academische vrijheid verhult het, maar wetenschappelijk onderzoek is zelf eveneens talig tot op het bot. Wat ‘uit onderzoek blijkt’ is er deels tevoren in gestopt. Neem ook het tweede voorbeeld van het testen van de intelligentie van menselijke rassen. Bij onderzoek daarnaar doet zich meteen de vraag voor wat zou moeten tellen als een ras en wat als intelligentie. De mogelijke andere voorbeelden zijn eindeloos. Hersenonderzoek naar psychische stoornissen is al helemaal een goede illustratie, want niet het brein zelf maar mensen maken uit welke variëteiten als een stoornis moeten gelden. Ogenschijnlijk simpel onderzoek naar het aantal werklozen of studenten in een stad kan niet zonder definities van een werkloze, een student en zelfs een stad, noch zonder de keuze van onderzoeksinstrumenten die eveneens medebepalend voor de uitkomsten zijn. Ook als de wetenschap eensgezind is over dergelijke kwesties, is het antwoord niet van de natuur gekomen, maar van argumenten die (voorlopig) als doorslaggevend werden gezien.

Het verdriet van de wetenschap is dat zij slechts wordt bewonderd om wat ze niet kan zijn.

Een feit is geen gegeven maar een product, wat het woord ‘feit’ etymologisch gezien ook aangeeft. Het is afgeleid van het Latijnse ‘facere’ wat ‘maken’ of ‘doen’ betekent. In het Frans staat ‘fait’ voor zowel ‘feit’ als ‘gemaakt’, terwijl het Duitse woord ‘Tatsache’ (letterlijk ‘daadzaak’) eveneens boekdelen spreekt. Meer dan de resulterende getallen, zijn de besluiten die daaraan vooraf gingen dus doorslaggevend. Dat is de wetenschap niet te verwijten. Verwijtbaar is wel de suggestie dat zij de spreekbuis van de werkelijkheid zou kunnen zijn.

En verwijtbaar, of vooral zorgelijk, is de redenering van nogal wat niet-wetenschappers dat wetenschap waardeloos is als het niet klopt dat zij namens de natuur spreekt. Het verdriet van de wetenschap is dat zij slechts wordt bewonderd om wat ze niet kan zijn. Door steeds de schijn te moeten ophouden, gaat ze daar nog zelf in geloven ook en eist ze academische vrijheid op.

 

Illustratie Roland van Dierendonck

Het blazoen van de democratie

Valt de noodzaak van academische vrijheid dan niet te verdedigen met het argument dat het wetenschappelijke taalspel een noodzakelijke aanvulling op andere taalspelen is? Ze hoeft de realiteit immers niet te weerspiegelen om waardevol te zijn. Het is voldoende om de definities waarop onderzoek is gebaseerd en de methoden waarmee het wordt uitgevoerd zo overtuigend mogelijk te kiezen en daar zo nodig hoogwaardig rekenwerk aan toe te voegen. De houdbaarheid van die definities en dat rekenwerk valt zinvol te bediscussiëren.

Inderdaad is niet iedere mening ‘ook maar een mening’. Naast het taalspel van de politiek is dat van de wetenschap nodig, omdat het een toegevoegde waarde heeft. Samenlevingen hebben mensen nodig die het verstand hebben en de tijd krijgen voor vergaande grondigheid. Daarbij teken ik echter aan dat wetenschappelijk onderzoek een instrument bij uitstek is om in te grijpen in ieders bestaan. Dat deden Galileï en Darwin al omdat ze het menselijk zelfbeeld veranderden, maar tegenwoordig is wetenschap nog veel sterker een vormende factor geworden.

Er wordt beleid gebaseerd op onderzoeksuitkomsten en dus op de definities die aan die onderzoeksuitkomsten ten grondslag liggen.  Met de vraag wie telt als een man of vrouw, een student, werkloze of psychiatrische patiënt zijn rechten en plichten verbonden, die individuele levens en samenlevingen vorm geven. Feiten zijn niet slechts producten, ze produceren ook. Toen Wittgenstein betoogde dat de betekenis van woorden schuilt in hun gebruik, doelde hij er tevens op dat dit gebruik werelden maakt. Latere wetenschapsfilosofen hebben het op allerlei manieren verwoord: het idee dat wetenschap de werkelijkheid ontdekt is onhoudbaar, maar dat is niet het hele probleem. Erger is dat de taal van het ontdekken de wetenschap tekort doet, omdat wetenschap de werkelijkheid meer vorm geeft dan dat ze hem ontdekt. Wetenschappelijk onderzoekers leggen geen reeds bestaande paden bloot, maar hakken nieuwe paden uit. Dat is hard werken en vergt veel creativiteit, maar hoe een pad gaat lopen, hangt van hun ideeën, voorkeuren en instrumenten af. Vervolgens voltrekt het leven van grote groepen mensen zich volgens die paden, zonder dat ze inspraak in de route hebben gekregen of zelfs maar hebben gevraagd.

We moeten beseffen dat wetenschap primair een instrument is om de realiteit naar een bepaalde hand te zetten, voor we kunnen vragen of dit op een wenselijke manier gebeurt.

Naarmate de wetenschappelijke sector verder professionaliseerde en institutionaliseerde raakte zij steeds uitdrukkelijker gericht op ingrijpen in het bestaan. Zelfs louter door nieuwsgierigheid gedreven experimenteren is per definitie de realiteit veranderen. Het Higgs-deeltje bestaat bij de gratie van de ‘large hadron collider’ (LHC) die diep onder de grond bij Genève door mensen is gebouwd. En het aantreffen van de depressieve stoornis in Japan was pas mogelijk na de introductie van de DSM, het Amerikaanse psychiatrische handboek dat vastlegt welke gedragingen en emoties moeten gelden als een teken van een psychiatrische stoornis. Deze LHC van de psychiatrie was nodig om bijvoorbeeld ADHD of de depressieve stoornis in andere landen te introduceren. Japanners begrepen voor die tijd bijvoorbeeld de depressievragenlijsten niet, die het aantal mensen met de depressieve stoornis in Japan moesten meten. Er kwamen, naar Amerikaanse maatstaven, verrassend lage cijfers uit voor depressie in Japan, waar gevoelens van ellende eerst moesten worden ingekaderd als een medische aangelegenheid. Daaraan is dan ook hard gewerkt door de Amerikaanse farmaceutische sector, die als eerste stap de DSM naar Japan heeft geëxporteerd.

Mijn punt is zeker niet dat er iets mis is met de medicalisering van leed, want dat hangt af van het alternatief. Het punt is dat we moeten beseffen dat wetenschap primair een instrument is om de realiteit naar een bepaalde hand te zetten, om überhaupt te kunnen vragen of dit op een wenselijke manier gebeurt. Verbale technologie raakt vaak verstrengeld met materiële technologie, waarvan antidepressiva slechts één voorbeeld zijn. Denk ook aan ‘brain-computer interfaces’ die het menselijk brein uitbreiden met computers of aan de ontwikkeling van nanodeeltjes om het neuronale netwerk binnenin de schedel te vergroten. Dat soort technologie is al helemaal een manier om diepgaand in te grijpen in de realiteit. Zij doet dat tot op het minuscule niveau van de neuronale ‘wetware’ en ‘hardware’ in het brein. Ook dergelijke technologie kan onmogelijk neutraal zijn, want de ontwerpers zetten er onvermijdelijk hun stempel op.

De taal van academische vrijheid is een schandvlek op het blazoen van de democratie.

 

Naast de metafoor van de uitgehakte paden is de vergelijking verhelderend met die van materie die als grondstof dient. Denk aan klei of rubber en evengoed aan het dierlijk zowel als menselijk lichaam en brein. Van dergelijke grondstoffen valt zeker niet álles maar wel vánalles te maken. Al biedt de materie weerstand, het is zij zelf niet die ons vertelt wat we ermee kunnen doen. Technologie is onmisbaar want hij maakt — althans als het goed is en alleen voor een deel van de mensheid — het leven op deze aardbol doenlijk of zelfs aangenaam. Tegelijk is het goed te beseffen dat technologische producten zijn ontworpen door mensen die daarmee een stempel zetten op het bestaan van de gebruikers. Verbale en technische kennis kan zelfs een nieuwe morele orde in het leven roepen, die de ontwerpers niet hadden voorzien. Meer nog dan de inzichten van Galilei of Darwin kan technologie het menselijk zelfbeeld en samenleven wijzigen. Neem de anticonceptiepil waardoor we geen kinderen meer ‘krijgen’, maar ze ‘nemen’. Het eerste was voor velen een bevrijding, maar het tweede werd voor velen een belasting, want de verantwoordelijkheid van ouders voor hun kinderen werd er sterk door vergroot. Anticonceptie is een vroeg voorbeeld van maakbare biologie, die daarmee tot een eigen keuze is geworden.

Of denk aan het principe van de vrije wil, grondslag van onze rechtsstaat, dat op het spel komt te staan door de mogelijkheid hersenen te programmeren. In het vormen van de realiteit is de wetenschap minstens zo krachtig als de politiek, maar van de politiek is bekend dat ze op voorkeuren en waarden is gebaseerd, zodat er maatschappelijk en parlementair debat is over haar besluiten. De taal van academische vrijheid, sterk verbonden met de ontdekkingstaal, is zo bezien een schandvlek op het blazoen van de democratie. Ook over wetenschappelijke inzichten zou meer open discussie tussen verstandige mensen mogelijk moeten zijn. Hoe moeilijk dit type discussie ook te realiseren is, dat mag geen excuus zijn om het achterwege te laten als het om wetenschappelijke kennis gaat.

Democratische wetenschap

Het probleem is dus niet dat wetenschap en technologie ingrijpen in de realiteit, want daarvoor zijn ze in het leven geroepen. Het probleem is de claim dat grote hoeveelheden belastinggeld door wetenschapsbeoefenaren naar eigen goeddunken moeten kunnen worden besteed en vooral dat de vele keuzen ten grondslag liggend aan wetenschappelijke feiten slechts in wetenschappelijke vaktijdschriften worden bediscussieerd.

Ook onderzoekers zelf zouden deze academische vrijheid niet moeten voorstaan, want uiteindelijk zijn ze net zo’n leken als iedereen. Ze weten hooguit veel op een klein terrein, maar heel weinig op andere terreinen. In veel opzichten zijn zij dus eveneens toeschouwers, afnemers of ‘stakeholders’ van de wetenschap. Ze zijn simpele burgers en gewone patiënten, onderworpen aan sturende kennisproducten. Van hoogleraar tot promovendus en student, zouden academici dus inspraak moeten willen in de wijzen waarop ze worden gestuurd in plaats van academische vrijheid te verdedigen.

Is academische vrijheid dan geen noodzakelijk wapen tegen commercialisering en rendementsdenken, die de wetenschap bedreigen? Moet deze vrijheid niet worden verdedigd omdat het bedrijfsleven anders een te grote vinger krijgt in de universiteit? Dient de tegenovergestelde eis van ‘valorisatie’ niet slechts de economische vooruitgang, zodat de geesteswetenschappen teloor gaan, waarna de niet-technologische takken van de sociale wetenschappen zullen volgen?

De eis van valorisatie in deze betekenis richt inderdaad schade aan. Toen het mogelijk werd om via fMRI beelden te maken van het levende brein trok dat grote groepen studenten. Het dure onderzoek viel echter niet op even grote schaal te verdedigen met het argument van wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Het onderzoek moest nuttig zijn of lijken en dus beloofden alsmaar meer enthousiastelingen dat ze met hersenscans psychiatrische stoornissen zouden gaan opsporen en misschien ook corrigeren. Zelfs de ‘verborgen stoornis’ is ervoor in het leven geroepen, niet merkbaar in het dagelijkse leven maar wel aantoonbaar met een scan, zodat achteraf bezien veel leed en mislukking aan de onontdekte stoornis valt toe te schrijven. Decennia later heeft dat nauwelijks iets bruikbaars opgeleverd, maar het hersenonderzoek gaf zo wel een ‘boost’ aan de gedachte dat elke variatie een stoornis moet heten. Dat zou wel eens een substantieel deel van de verklaring kunnen zijn voor de enorme groei van de aantallen mensen met een psychiatrische diagnose in de afgelopen jaren. Schijnbaar nut blijft dus niet zonder gevolgen, zodat het beter is om pure nieuwsgierigheid te moeten verdedigen en te aanvaarden dat de samenleving daar grenzen aan stelt.

De geesteswetenschappen die zich zorgen maken over de overheersing van het economisch-technocratische denken, verzwakken slechts hun positie door de trom van de academische vrijheid te roeren.

Ik onderschrijf volledig dat we moeten vechten voor het behoud van universiteiten waarin het niet alleen om geld draait, maar ook om het milieu, om mensenrechten, maatschappelijke verantwoordelijkheid, om morele zowel als esthetische waarden. Als het de universitaire wetenschap niet mag zijn die eenzijdig de dienst uitmaakt, mag dat al helemaal de gecommercialiseerde wetenschap niet zijn. Maar is voor dergelijke valorisatie een academische vrijheid nodig waarbij onderzoekers zich slechts iets gelegen hoeven te laten liggen aan hun eigen piepkleine kring? De geesteswetenschappen die zich zorgen maken over de overheersing van het economisch-technocratische denken, verzwakken slechts hun positie door de trom van de academische vrijheid te roeren.

Net als elke beroepsgroep moeten wetenschapsbeoefenaren inderdaad de ruimte krijgen om zich, eventueel langdurig, terug te trekken om hun expertise verder te ontwikkelen. Dat is geen vrijheid maar een taak, die het doel dient van kwalitatief goed werk. Daarna en daarnaast moeten op zijn minst sommigen van hen in serieus gesprek met niet-vakgenoten aan wie ze verantwoording afleggen en bovendien het wetenschappelijk denken verder scherpen. Dat hoeft geen ontkenning van wetenschappelijke expertise te zijn noch uitholling van kwaliteit. Integendeel. We kunnen een voorbeeld nemen aan de organisatie Jantje Beton die speelplaatsen aanlegt voor kinderen. De speeltuinexperts laten zich daartoe informeren door de kinderen in een bepaalde buurt over de wijzen waarop daar wordt gespeeld. Als experts kunnen leren van kinderen, kunnen ze dat ook van volwassenen. Architecten die ‘architecturale vrijheid’ opeisen, worden terecht terug gefloten. Zonder hun expertise te ontkennen verwachten we dat vertegenwoordigers uit de sector ruggespraak houden met de toekomstige gebruikers van hun bouwwerken. En als ze vrezen dat die gebruikers verkeerde beslissingen nemen, moeten ze hen met argumenten zien te overtuigen.

Vooral beoefenaren van de geestwetenschappen werken zo trouwens al. Ze publiceren gedegen boeken voor een ruimer publiek, die maatschappelijke debatten entameren of lezers leerzame ervaringen geven. Dergelijk werk wordt aan de universiteiten echter niet op waarde wordt geschat, omdat het traditionele beeld van academische vrijheid naast overleg in de eigen kleine kring alleen ruimte voor wetenschapsvoorlichting laat. Behalve de wetenschappelijke publicatie voor mede-experts kent de universiteit slechts de populariserende publicatie of het populariserende media-optreden, waarin de professor door haar knieën zakt om uit te leggen hoe het zit.

Architecten zouden het niet moeten wagen, maar wetenschapsbeoefenaren mogen gewoon ‘de feiten’ meedelen zonder hun achterliggende keuzen, met het argument dat ‘de mensen het anders niet snappen’. Dat is de wetenschapscommunicatie van de afdeling voorlichting en van tv-programma’s zoals De Wereld Draait Door. Echte discussie over de gepresenteerde feiten is onmogelijk, want de ‘knappe kop’ spreekt namens de werkelijkheid en het publiek zit er voornamelijk voor het applaus. Dergelijke klakkeloze bewondering is minstens zo kwalijk als de klakkeloze verguizing, die al gauw optreedt als duidelijk wordt dat de verkondigde zekerheden eigenlijk zo zeker niet zijn.

In naam van de academische vrijheid is de universitaire gemeenschap ook serieuze communicatie met niet-vakgenoten als ‘popularisering’ gaan beschouwen. En popularisering wordt minder waard geacht dan echte wetenschap. De academische vrijheid gebiedt daardoor dat je voornamelijk volgens strakke protocollen in Engelstalige wetenschappelijke tijdschriften publiceert. Het gaat om het volgen van standaardiserende regels, daarbij je tekst doorspekkend met verwijzingen naar hoger geplaatste anderen. Studenten en promovendi leren al dat academische vrijheid weinig met eigen creativiteit te maken heeft. Dat beeld internaliseren ze dusdanig dat ze het levenslang handhaven, ook als ze zelf docenten worden. Zo maakt de taal van de academische vrijheid de derde vorm van wetenschappelijke productie vrijwel onmogelijk. Dat is de moeizaam te produceren publicatie of voordracht, waarin wetenschapsbeoefenaren open zijn over hun gebruikte definities en instrumenten, waarin ze besef tonen van de morele kwesties die bij hun werk spelen en serieus in gesprek gaan met niet-wetenschapsbeoefenaren. 

De taal van de academische vrijheid houdt, anders gezegd, een verbod aan onderzoekers in om publieke intellectuelen te zijn die ‘hybride producten’ maken. Dat soort producten is gericht op vakgenoten zowel als niet-vakgenoten en combineert een diversiteit aan sectoren met elkaar. Het nodigt derden uit om mee te denken en mee verantwoordelijkheid te dragen voor wat we met zijn allen van de wereld maken. Het zou daarom goed zijn het concept academische vrijheid in te ruilen voor het concept democratische wetenschap.