In Kennis & Markt


Woord vooraf


Introductie op het tweede Maagdenhuisdebat

Universiteit en markt zijn steeds verder met elkaar verstrengeld geraakt, zo betoogde de Rotterdamse socioloog Willem Schinkel in zijn spraakmakende essay ‘Kennis is markt’. Als gevolg daarvan verliest kennis vrijwel al zijn waarde, op zijn economische waarde na. Het kapitalisme is ‘cognitief’ geworden. Dit idee vormt het startpunt van het eerste Maagdenhuisdebat. 

Illustratie Roland van Dierendonck beeld Roland van Dierendonck


Deel of lees later...

Like dit op Facebook

  • Instapaper

Uitgangspunt voor het tweede debat is het essay ‘Kennis is markt’ van Willem Schinkel. Hier verdedigt Willem Schinkel de stelling dat universiteit en markt steeds verder met elkaar verstrengeld zijn geraakt. Het gevolg is dat de waarde van kennis tegenwoordig vrijwel uitsluitend wordt afgemeten aan de mate waarin het bijdraagt aan economische groei, oftewel de verhoging van het bruto binnenlands product. Het kapitalisme, aldus Schinkel, is ‘cognitief’ geworden. Enigszins gechargeerd zou men kunnen zeggen dat Schinkel in  zijn essay de overgang beschrijft van wat in de jaren zeventig het ‘militair-industriële’ complex heette, naar wat men nu het ‘academisch-industriële’ complex zou kunnen noemen.

Dat heeft niet alleen gevolgen voor de wijze waarop en de taal waarin universiteiten het bestaande fonds aan kennis aan volgende generaties doorgeven, het heeft ook vergaande consequenties voor de arbeids- en inkomensverhoudingen. De ‘economisering’ van de universiteit en de opkomst van het ‘precariaat’, een structureel in onzekerheid levende middenklasse, gaan volgens Schinkel hand in hand. Precies om die reden hebben we volgens Schinkel dringend een ‘goed verhaal over de publieke taken van de universiteit’ nodig. Dat verhaal ontbreekt.

In het tweede Maagdenhuisdebat belichten we het essay van Schinkel vanuit twee kanten. Ten eerste onderzoeken we de rol die de ‘creatieve industrie’ tegenwoordig speelt in de ‘waardeketen’ van industriële productie. Is het waar dat tegenwoordig niet fysieke, maar cognitieve arbeid de primaire accumulatiemodus is? Wat voor rol spelen universiteiten en hogescholen in het op gang brengen van ‘vernieuwing en innovatie’, en welke partijen hebben daar eigenlijk het meeste baat bij? Ten tweede kijken we of het idee van een ideale universiteit nog wel haalbaar is. Wordt het niet, zoals Patricia Faasse en Barend van der Meulen in hun essay beweren, tijd voor ‘een omslag van “een universiteit voor iedereen”, naar “iedereen zijn universiteit”’? Kunnen we nog tot een goed verhaal over de publieke taken van de universiteit komen? Of leggen Faasse en van der Meulen, in vergelijking met Schinkel, de nadruk te veel op ‘cognitie’ en te weinig op de invloed van het ‘kapitalisme’? Wat voegt de introductie van het begrip ‘cognitief kapitalisme’ nu eigenlijk toe aan ons debat?